Parkstad Limburg is de ‘Ander’

2 jun 2014
  • Wonen
  • Leefbaarheid

Vragen als ‘waar kom je vandaan?’ en ‘van wie ben je er eentje?’ hoor ik regelmatig in Parkstad Limburg. Je plaats van herkomst maar ook wie je familie is, bepaalt mede je identiteit. Als deze vragen beantwoord zijn, kunnen mensen je plaatsen, letterlijk en figuurlijk. Dan weten ze of je erbij hoort of niet. Hoor je er niet bij, dan ben je de ‘Ander’. Voor de cliënten van welzijnsorganisaties en voor burgers zijn dit ook belangrijke vragen, waarvan het antwoord bepalend is of iemand ondersteuning of subsidie kan krijgen. De ‘Ander’ kan helaas niet ondersteund worden.

In mijn onderzoek gericht op jongeren, bemerk ik een dilemma, binnen professionals van welzijnswerk die met deze jongeren werken, maar ook tussen professionals en burgers, in dit geval jongeren. Binnen het welzijnswerk leeft er enerzijds de wens om samen te werken want iedereen heeft elkaar en elkaars ideeën hard nodig, anderzijds heerst er competitie vanwege specifieke expertise en eigenheid. Collega’s worden in plaats van ‘concullega’s’ steeds meer elkaars concurrenten. Die andere organisatie vist namelijk in dezelfde vijver van burgers en potentiële cliënten, klanten en deelnemers. Parkstad Limburg als eenheid kom ik niet tegen bij de welzijnswerkers en jongeren in mijn onderzoek. Professionals maken hun collega’s tot de ‘Ander’, maar jongeren ook.

De jongeren in mijn onderzoek hebben het idee dat het meer gaat om waar ze wonen, dan wie ze zijn of wat ze willen. Want horen zij niet tot het gebied waar de welzijnsorganisatie verantwoordelijk voor is of behoren zij niet tot de gemeente, dan gaat voor hen de deur dicht. En sowieso moeten ze zich bij voorkeur wenden tot hun eigen netwerk. Maar ook jongeren maken de welzijnswerkers en gemeenteambtenaren tot de ‘Ander’. Wantrouwen heerst bij de jongeren in mijn onderzoek, naast een gevoel dat regels en beleid niet aansluiten bij hun wensen en behoeften. Jongeren vinden zichzelf dus ook Anders dan overige burgers.

Is dit proces van ‘othering’ de Limburgse belichaamde geschiedenis die komt vanuit de vraag waar en van wie je bent? Die richting geeft aan het denken en handelen van de welzijnsorganisaties en gemeentes, evenals dat van burgers? Als ik in mijn onderzoek aan mensen vraag waar iemand vandaan komt, is het antwoord Chevremont, Meezenbroek, Bocholtz of Schaesberg. Hier spreekt het verleden, hier spreekt de sociale en fysieke omgeving. Dat is niet alleen bij ouderen het geval maar zeker ook bij alle jongeren die ik spreek. Nooit hoor ik iemand Heerlen, Kerkrade of Landgraaf zeggen en al helemaal geen Parkstad. Parkstad als omgeving, als plaats van herkomst, is de ‘Ander’. Ik hoor in mijn onderzoek dat Parkstad als regio geen deel uitmaakt van hun identiteit. Mensen kunnen niet zomaar hun identiteit omgooien, want deze zit verankerd in zichzelf en in hun omgeving. En Parkstad hoort daar niet bij.

Omgaan met demografische transitie nodigt uit tot het gebruiken van deze worteling. Jongeren zijn net als welzijnswerkers en gemeenteambtenaren geworteld in de vele Limburgse dorpen en buurten. In deze tijden van krimp en transitie moeten burgers en professionals deze worteling juist erkennen in plaats van ontkennen. Ik heb gemerkt dat het lang duurt voordat een professional het vertrouwen heeft gewonnen en niet meer als de ‘Ander’ gezien wordt maar als eigen. Maar als dat wederzijds vertrouwen eenmaal bestaat, dan maakt de plaats waar je woont of van wie je er eentje bent ook niet meer uit. Voor de jongere niet maar ook niet voor de professional. Want vele professionals en jongeren blijken dan loyaal te zijn tot buiten de gemeentelijke en Parkstedelijke grenzen. Het proces van ‘othering’ kan veranderen in een proces van herkenning, maar wel gebaseerd op de worteling in de eigen plek.

Foto: pixabay.com

Naar blog overzicht