Over vertrouwen en verantwoorden gesproken!

28 mei 2019
  • Wonen
  • Leefbaarheid

Burgers willen directe zeggenschap over hun leefomgeving en weten de overheid in deze snel genoeg te vinden. Overheden worstelen met de behoeften van burgers om directe zeggenschap te krijgen over hun leefomgeving middels een burgerinitiatief. De praktijk laat zien dat wederzijds vertrouwen en verantwoorden niet zonder slag of stoot gaat.

Afbeelding: Pixabay.comIn de gesprekken met initiatiefnemers geven overheden vaak aan dat het burgerinitiatief (in eerste instantie) niet aansluit op het beleid. Initiatiefnemers geven op hun beurt aan dat zij vraagtekens zetten bij in hoeverre het democratisch is om vast te houden aan het beleid. Overheden stellen vervolgens de vraag in hoeverre de initiatiefnemers de meerderheid van de buurt of wijk vertegenwoordigen. Initiatiefnemers geven daarbij vaak het antwoord dat zij weten wat er speelt. Het heen en weer discussiëren tussen overheid en burgers over waarom iets wel of niet mogelijk is voor burgerinitiatieven zien we met name als het gaat om het verkrijgen van (financiële) middelen. Dit kan soms tot  vervelende situaties leiden, waardoor het wantrouwen toeneemt met als resultaat dat initiatiefnemers uiteindelijk de handdoek in de ring gooien.

Discussies als deze kunnen contraproductief werken in de relatie tussen overheid en burgers die beiden burgerinitiatieven vaak hoog in het vaandel hebben. Aan de andere kant, dergelijke discussies kunnen ook van meerwaarde zijn omdat het beide partijen vraagt om te reflecteren op hun eigen positie en behoeften. Overheid: ‘In hoeverre geef ik als overheid ruimte aan burgerinitiatieven?’ Burgers: ‘Staat de meerderheid van de buurtbewoners wel echt te wachten op mijn initiatief?’

Burgers die wel op de steun mogen rekenen van overheden, krijgen te maken met soms complexe procedures en verantwoordingsverplichtingen voor deze (financiële) middelen. Hoe strak hierop wordt toegezien bleek ook weer in het symposium ‘Tussen vertrouwen en verantwoorden’ dat ik in maart jl. bezocht. Tijdens dit symposium zijn onder andere de uitkomsten gepresenteerd van een onderzoek naar vijftien burgerinitiatieven verspreid over Limburg die alle op hun beurt te maken kregen met verantwoordingsverplichtingen. De Universiteit Maastricht onderzocht de ervaringen van initiatiefnemers met de verantwoording, procedures en regelgeving om ondersteuning te krijgen vanuit (lokale) overheden. Een greep uit deze praktijkverhalen liet duidelijk het spanningsveld zien tussen de (vaak strikte) institutionele logica en het dagelijkse leven waarmee initiatiefnemers te maken krijgen. Regels en procedures zijn uiteraard in het leven geroepen om misbruik van gemeenschapsgeld te voorkomen. Eén van de belangrijkste conclusies uit dit symposium was juist dat burgerinitiatieven wel degelijk een financieel moraal hebben bij het uitgeven en verantwoorden van gemeenschapsgeld en dat overheden daar veel meer op moeten (durven) vertrouwen.

Het symposium leverde interessante inzichten op voor zowel initiatiefnemers als overheden en welke stappen beiden dienen te nemen om de samenwerking en het vertrouwen te intensiveren. In de wegwijzer ‘Uw initiatief past niet in ons kader!’ zijn deze stappen gebundeld. Een leuke bijkomstigheid is dat mijn woordenschat is uitgebreid met termen als ‘regelrisicoreflex’ wat verwijst naar het strikt houden aan regels; ‘risicosamenleving’ waarin allerlei risico’s met regelgeving en procedures worden ‘dichtgetimmerd’ en, mijn persoonlijke favoriet, ‘de piraat-ambtenaar’ die verwijst naar de ambtenaar die het aanspreekpunt vormt, op zoek gaat naar allerlei alternatieven, risico’s durft te nemen en met zijn collega-ambtenaren onderhandelt in het belang van het burgerinitiatief. Deze ambtenaar coördineert de achterliggende zaken en blijkt een belangrijke bijdrage te leveren aan het vertrouwen tussen burgers en de gemeentelijke organisatie (Troost en Van Straalen, 2017). In mijn onderzoek blijkt tevens dat de accountmanager, die tot op zekere hoogte ook kan worden gezien als een ‘piraat-ambtenaar’, een belangrijke rol heeft in de interne gemeentelijke organisatie in het mogelijk maken van burgerinitiatieven.

De praktijkverhalen uit het symposium en de gesprekken met deze ambtenaren in mijn onderzoek naar Gebrookerbos bevestigen het belang van een duurzame samenwerkingsrelatie tussen burgerinitiatieven als participatieve democratie en de overheid als representatieve democratie om de directe zeggenschap over de leefomgeving te vergroten (Salverda, Pleijte en Van Dam, 2014). Hierbij is de mate van gelijkwaardigheid in de communicatie tussen overheid en burgers van eminent belang. Het regelmatig voeren van gesprekken waarin beiden op een gelijkwaardig niveau tot overeenstemming komen over de wijze van verantwoorden en de maatschappelijke waarde van burgerinitiatieven, zou hierin een mooie investering zijn die niet alleen in geld uit te drukken is maar met name een meerwaarde is voor het wederzijds vertrouwen.

Referenties:

Troost, S. & Van Straalen, F. (2017). De toekomst van burgerinitiatieven. Rooilijn 50(5), pp. 390-397.

Salverda, I., Pleijte, M., & Van Dam, R. (2014). Meervoudige democratie: meer ruimte voor burgerinitiatieven in het natuurdomein. Alterra/Wageningen UR: Wageningen.

Naar blog overzicht