Over orderpikkers en tahoe-uitlekkers

1 okt 2020

Leon Verdonschot schreef een column voor Neimed over zijn gedachten bij het boek ‘Aan de lopende band’. Over werken als noodzaak om in je levensonderhoud te kunnen voldoen (en niet meer dan dat) versus lopende band werk doen als bijbaan. Over employability, of het gebrek er aan?

Joseph Ponthus werkte tien jaar als jongerenwerker in de banlieus van Parijs. Vorig jaar schreef hij zijn eerste roman À la ligne. Feuillets d’usine, die een paar weken geleden verscheen in de Nederlandse vertaling: Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek. Ik las een lovende recensie van de roman, bestelde het boek en las het als een gedicht opgeschreven verhaal binnen twee dagen in één ruk uit.

In Aan de lopende band vertelt een uitzendkracht over zijn werk in slachthuizen en visverwerkende bedrijven in Bretagne. De rode draad is de lopende band waar hij de meeste tijd aan staat. De herhaling van de handelingen. De gedachtenloosheid van het werk, die bij hem juist vele gedachten omhoog brengt. Aan muziek, aan literatuur, aan vragen over het grote waarom en hoe van dit werk.

‘Voor wie produceren we die veertig ton garnalen per dag waarvan de houdbaarheidsdatum op de dag af een maandag later valt. Zestig miljoen Fransen zouden dagelijks dus veertig ton garnalen eten. De fabriek kan immers niet met verlies draaien’

Ik moest tijdens het lezen vaak denken aan alle vakantie- en bijbaantjes die ik heb gehad, om maar die stereotoren en Commodore 64 bij elkaar te sparen. Het werk dat het meest leek op Ponthus’ beschrijvingen in zijn roman was dat voor het bedrijf Memorex, op het terrein van Maastricht Aachen Airport. Bij Memorex pakte ik aan de lopende band computeronderdelen in. Op grote vellen stond welke kleine doosjes samen in een grotere doos hoorden, welke stickers vervolgens op die grotere doos moesten en naar welk rek die grote dozen daarna moesten worden gereden. Toen ik aan Memorex terug dacht, betrapte ik me er op dat ik niet eens precies weet wát we nou eigenlijk inpakten. Ja, computeronderdelen. Op Wikipedia moest ik zojuist opzoeken wélke.

Wat me het meest bij is gebleven van die tijd is het moment dat de zoemer ging voor de pauze. Die pauze was al vaak aangekondigd, doordat iemand vroeg ‘Hoe lang nog?’, en het antwoord was op de minuut af de tijd tot die zoemer. Samen aftellen. Zo gauw de zoemer klonk, hield iedereen demonstratief onmiddellijk op met werken, al hadden ze het stickervel voor de doos nog in hun hand, en liepen we naar de kantine, een nikserig hok met uitzicht op nog meer niks.

In mijn wekelijkse interviewprogramma Oeverloos ontvang ik muzikanten, schrijvers, dichters en andere kunstenaars. Vaak vraag ik ze naar de bijbaantjes die ze ooit hebben gehad, toen ze nog droomden van een leven als muzikant, schrijver of dichter. Opvallend: iedereen kan zich die bijbaantjes nog herinneren. Waar ze waren, wat ze deden, waarvoor ze spaarden. De handelingen, de collega’s, die ene chef.

Heel soms tref ik een gast die helemaal geen bijbaantje heeft gehad. En dat merk je. Altijd. Het gevoel werk te doen dat je niet inspireert, dat geen beroep doet op je creativiteit, maar juist op een gebrek daaraan; wanneer je dat niet kent, wanneer je gewend bent dat je aan je werk ook werkelijk pleziér ontleent, trots, misschien status of zelfs identiteit, dan is het bijna onmogelijk je in te leven in alle mensen voor wie hun werk een noodzaak is om in levensonderhoud te voorzien – en ook niets dan dat.

De hoofdpersoon in Aan de lopende band kan zich niet voorstellen dat er iets saaier is dan garnalen wulken. Dan moet hij opeens iets anders doen: tahoe uitlekken.

‘Tahoe-uitlekker. Wie ’s nachts nog nooit negen uur achter elkaar tahoe heeft laten uitlekken zal er nooit iets van snappen (…) Ik laat tahoe uitlekken. Nog maar drie uur te gaan. Ik ga door. Er komt geen einde aan de nacht. Ik laat tahoe uitlekken. Er komt geen einde meer aan de nacht. Ik laat tahoe uitlekken. Ik laat tahoe uitlekken’.

De roman spookte nog dagen door mijn hoofd, en ik denk dat ik nooit meer tahoe zal eten zonder me te realiseren dat iemand ergens in een fabriek die negen uur per nacht staat uit te lekken.

Een paar dagen later las ik in het boek Fantoomgroei van journalisten Sander Heijne en Hendrik Noten over een 50.000 vierkante kilometer groot distributiecentrum langs de A59. ‘Een skelet van beton, afgewerkt met goedkoop plaatmateriaal, laad- en losperrons voor vrachtwagens, weinig ramen. (…) Honderd orderpikkers lopen er de blaren onder hun voeten, slepen met pakketten tot wel honderd kilo. (…) En dat gaat door van de vroege ochtend tot na middernacht. Het is de enige manier waarop webshops zich aan hun belofte kunnen houden: voor 23:59 besteld, de volgende dag in huis.’

Het was een beschrijving van het gebouw dat schuilgaat achter de bekendste postbus van Waalwijk: Bol.com. Toen ik het las, realiseerde ik me dat ik Aan de lopende band zo snel mogelijk na lezing van de recensie in huis wilde hebben, dus had besteld bij Bol. Waar de orderpikker zorgde dat ik de tahoe-uitlekker leerde kennen.

Leon Verdonschot

 

Foto gemaakt door: Bob Bronshoff 
 

Naar blog overzicht