Het krimpende dorp

6 okt 2015
  • Wonen
  • Werken
  • Mobiliteit
  • Leefbaarheid

Google Earth is een prachtige uitvinding: via satellietbeelden komt iedere plaats ter wereld zichtbaar binnen handbereik. Toets een willekeurige stad, dorp of regio in en je krijgt de feitelijke situatie in beeld. In dit beeld verschijnt tevens een plusje en een minnetje. De plus is bedoeld om op het beeld in te zoomen, de min om uit te zoomen – een interessante handeling om zo eens te kijken naar krimpende dorpen.

Ik begin bij de plus – inzoomen dus. De wereld wordt kleiner en gedetailleerder. Ik zie wat er is, maar ook wat er niet meer is. De slager ontbreekt, alsook de kleine super. En het voetbalveld ligt er wat verlaten en verwilderd bij. Ik veronderstel dat ook de fanfare of het heel zwaar heeft, of al niet meer bestaat. Ook veronderstel ik dat de onderlinge contacten, het elkaar kennen en aanspreken, het lokale dialect en de oude tradities op het punt staan te verdwijnen. Ik heb ingezoomd in het dorp met de ogen van Geert Mak’s ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ - voor velen de verwoording van de ‘dorpse neergaande spiraal’.

De ontwikkeling van het dorp, gezien als een proces van verlies en teloorgang dus. Zeker als we het dorp als een boerendorp opvatten: er zijn nog maar weinig boeren in het dorp en die er zijn, beheren eerder een high-tech bedrijf dan een boerderij. De mechanisering, rationalisering en zelfs robotisering hebben de reden van velen om zich te vestigen in een dorp, weggenomen – er is eenvoudigweg geen werk meer. Dit is ook de reden, waarom de jeugd het dorp verlaat: het dorp biedt misschien dan wel de familiale warmte, maar niet het gewenste onderwijs en toekomstperspectief.

Maar ook als we het concept van het boerendorp wat verruimen en het omschrijven als het autonome dorp (Frans Thissen), een dorp dat zichzelf bedruipt en in relatieve onafhankelijkheid van zijn omgeving kan overleven, dan klopt de pessimistische interpretatie van het krimpende dorp nog steeds. De boer is niet alleen voor een groot gedeelte verdwenen, maar ook de bakker, de sigarenwinkel, de groenteboer – zelfs heeft men in veel gevallen het dorpshuis moeten sluiten. De notaris is weg, de school is dicht, de dokter verdwenen – inderdaad, denkend vanuit het autonome dorp is er veel kommer en kwel.

Het wordt tijd voor de min – uitzoomen dus. De wereld wordt groter en gevarieerder. We zien nu ogenblikkelijk de verwevenheid van het dorp met omgeving en regio. Het ene dorp heeft nog een school, het andere een sportterrein en het derde een super. Bewoners vinden het doodnormaal te ‘commuten’ van A naar B en hebben maar één behoefte: de voorziening hoeft niet naast de deur te liggen, maar moet wel te bereiken zijn. Veel van de bewoners komen ook niet uit het dorp zelf, maar van elders en hebben zich om hen moverende redenen in het dorp gevestigd. Het is een woondorp geworden, geen autonoom dorp (Frans Thissen). Een dorp, dat opgenomen is in het netwerk van het ommeland en door daar gebruik van te maken, in staat is tot overleven – een ‘dorpse opgaande spiraal’. Een dorp ook waarin langzaam een andere economie ontstaat van stille bedrijfjes, van milieuvriendelijk gewonnen energie, van winkeltjes achterom met onbespoten groente en fruit, van regionale producten.

Bij inzoomen wordt de wereld kleiner, bij uitzoomen groter. Zoomen we in, dan zien we wat er niet meer is. Zoomen we uit dan zien we de mogelijkheden van wat nog kan. Daarbij gaat het om vijf principes die bijdragen aan de leefbaarheid van krimpende dorpen.

Ten eerste is dat bestuurlijke schaalvergroting of regionalisering. Hoe we het ook wenden of keren, gemeenten blijven in hun armslag en facilitering erg afhankelijk van aantallen, vooral van het aantal mensen. Kwantitatief groeit het dorp niet meer, dus de enige manier om meer massa te creëren, is samenvoeging. Dit geldt voor dorpen, maar ook voor krimpende stedelijke gebieden als Parkstad Limburg. Ten tweede – het is al gezegd – gaat het ten aanzien van voorzieningen om bereikbaarheid, niet beschikbaarheid. Een school hoeft niet ten koste van alles open te blijven – onderwijs, en dan nog het liefst in een aantal verschillende vormen, zodat er iets te kiezen valt, moet bereikbaar zijn.

Ten derde actief burgerschap. Krimpende dorpen zijn niet zo interessant voor financiële investeerders en ook bestuurlijk loopt het niet over van de initiatieven. Het lokale/regionale menselijke en sociale kapitaal vervult dan ook een centrale rol in het ontplooien van bestaande of nieuwe activiteiten – vitale dorpen kennen actieve burgers; zowel zij die er geboren en getogen zijn als nieuwkomers.

Ten vierde glasvezel. Glasvezel als metafoor voor een goede verbinding met de digitale wereld is voor het voortbestaan van een krimpend dorp onontbeerlijk. Waar fysiek voorzieningen en faciliteiten onder druk staan of verdwijnen, wordt dit – gedeeltelijk – gecompenseerd door de beschikbaarheid van  digitale netwerken. Digitale communicatie en digitale dienstverlening brengen de wereld en zijn voorzieningen binnen handbereik.

Tenslotte het leren delen. Als iedere vereniging, ieder koor of iedere voetbalclub alleen het eigenbelang voorop stelt en met de rug naar de ander gericht staat, dan verdwijnt er veel in een krimpend dorp. Immers, voorzieningen en faciliteiten staan onder druk en niet alles wat ooit was, kan nog. Het leren delen van elkaars ruimte, kantine, oefenlokaal of achterzaaltje; het leren delen van elkaars bestuurlijke ervaring; het leren delen van elkaars ledenbestand – leren delen is misschien wel de belangrijkste voorwaarde om de kwaliteit van leven in een krimpend dorp te borgen!

Naar blog overzicht