De demografische transitie voorbij?

16 feb 2016
  • Wonen
  • Werken
  • Leefbaarheid

Mensen zijn continue bezig met het interpreteren van de dagelijkse werkelijkheid, waarin zij leven. Zij geven woorden aan gebeurtenissen, omstandigheden en ontwikkelingen om hier op deze manier duiding en betekenis aan te geven. Die woorden helpen ons om wat van waarde is te onderscheiden van het waardeloze, het belangrijke van het onbelangrijke, het goede van het slechte – kortom, wat voor ons zinvol is en wat niet.

In de sociologie heet dit dat we dagelijks bezig zijn met het maken – construeren – van onze werkelijkheid. Dat doen we alleen, maar ook vaak in samenspraak met anderen. We leggen verbanden met andere mensen, beïnvloeden hen in hun meningen, maar worden ook omgekeerd door hen beïnvloed in de wijze, waarop we de wereld moeten zien en interpreteren. Daarin zijn we niet allemaal gelijk: er zijn mensen, naar wie veel geluisterd wordt en die dus veel invloed hebben op hoe we over onze werkelijkheid moeten denken, en mensen met minder invloed. De eersten hebben in sociologische zin veel macht om onze dagelijkse werkelijkheid van de betekenis te voorzien, zoals zij die voor ogen hebben – de laatsten hebben die mogelijkheid veel minder. Heersende opvattingen en discussies – dus hoe wij onze dagelijkse werkelijkheid ervaren - worden bijna altijd door de eerste groep bepaald; de tweede groep volgt daarbij in de regel. Bij de eerste groep moet je aan politici, bestuurders, wetenschappers, grootindustriëlen en mediacraten denken – bij de tweede groep aan de rest. De woorden, waarmee wij onze werkelijkheid interpreteren, zijn dus vaak collectief gedeelde woorden, ingebracht echter door een relatief kleine, met macht en invloed uitgeruste groep.

Voorbeelden hiervan zijn er genoeg: enkele mensen vinden Nederland niet langer veilig, ‘bewijzen’ hun interpretatie door uit de maatschappelijke werkelijkheid de voor hen bruikbare voorbeelden te distilleren en al snel is er sprake van een algeheel gevoel van onveiligheid en de opbouw van een veiligheidsindustrie. Een ander voorbeeld treffen we aan in het sociale domein. Eerst schetsen beleidsmakers het beeld van de achteroverleunende burger en vervolgens wordt er een beroep gedaan op het zelfreinigend en organiserend vermogen van burgers. Men noemt dat de transformatie van het sociale domein – een (re)constructie van de verzorgingsstaat, waar nu iedereen in gelooft. En wat te denken tenslotte, als we de ernst van een ziekte met een nieuwe vocabulaire willen verzachten. Leden mensen vroeger aan een longaandoening, dan heette hij of zij een teringlijder. Tering werd al snel tuberculose, en toen TBC, en toen TB en tenslotte ‘6 maanden sanatorium’. Het woord veranderde, de ziekte bleef wat het was.

Zuid-Limburg is een mooi gebied, maar kent ook de nodige vraagstukken. Om die vraagstukken te duiden, zocht men naar woorden. Zo ontstond het woord ’krimp’. Echter, snel werd overgegaan in het nettere begrip ‘bevolkingsdaling’ en tenslotte eindigde de duiding in het nogal verhullende concept van de ‘demografische transitie’. Nu willen we ook van dat laatste af: het is geen onderwerp meer op de burelen van de provincie en de Zuid-Limburgse gemeenten, want ‘we zijn de demografische transitie voorbij’. Van mij mag dat, maar de werkelijkheid van 10 jaar geleden bestaat nog steeds in Zuid-Limburg en is onveranderd: relatief lage arbeidsparticipatie (met name vrouwen), gezondheidsproblematiek en korter leven, veel jongeren als vroegtijdige schoolverlaters en als cliënt in de jeugdzorg, en een relatief laag vertrouwen in elkaar en in de overheid.

Van mij mogen er andere woorden komen, maar daarmee hebben we nog geen andere samenleving gerealiseerd. Limburg verliest de komende 35 jaar nog 175.000 mensen (Maastricht en Roermond staan dan dus leeg) en van de resterende 930.000 mensen is 33% 65-jaar of ouder. We krimpen dus gewoon vrolijk verder: wat nu ‘de demografische transitie voorbij’?

Foto: Ralph van Hees

Naar blog overzicht