Kunnen krimpende steden van elkaar leren?

26 nov 2018
  • Wonen
  • Werken
  • Leefbaarheid

Neimed is lid van het prestigieuze RE-City Horizon 2020 project. In dit project wordt kennis ontwikkeld over succesvolle stedelijke transformatie van krimpende steden. Een zeer relevant thema dat op de EU onderzoeksagenda blijft staan. Er zijn namelijk veel middelgrote steden in Europa die met stedelijke transformatie in brede zin, en krimp in het bijzonder, te maken hebben. Onderzoeken die in het RE-City project gedaan worden, moeten voldoen aan een aantal voorwaarden. Een van deze voorwaarden is een vergelijkend perspectief: onderzoeksprojecten moeten verschillende casussen vergelijken om van elkaar te kunnen leren.

Vergelijken klinkt logisch maar is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Om te beginnen: wat te vergelijken? Geografische kenmerken, thematisch, kwalitatief of kwantitatief. etc.? Een nog belangrijkere vraag: Is vergelijking überhaupt mogelijk in verschillende contexten?

In mijn onderzoek naar sociaal kapitaal in Heerlen en Blaenau Gwent (Wales) kwam ik erachter hoe moeilijk vergelijken is. Een kernindicator van krimp, bevolkingsdaling, is nog het makkelijkste om te vergelijken. We kunnen immers mensen gewoon tellen. Dit statistisch gegeven is moeilijk te betwisten. Maar dan wordt het moeilijker: socio-economische indicatoren hebben verschillende definities in verschillende contexten, zoals: Wat is de definitie van werkloosheid? Wat telt als uitkering? Wie is werkzoekende? Laag/hoog opgeleid? Ook bij het ITEM project komen we vanuit Neimed in aanraking met deze problematiek: datasets om tussen landen te kunnen vergelijken zijn schaars en vaak niet geschikt. Het is zeker een uitdaging maar onze collega’s bij ITEM laten zien hoe samenwerking en meedenken met het ontwikkelen van gelijke datasets vruchten kan afwerpen.

Vergelijkbare moeilijkheden zien we ook bij de definities van een gebied. Bijvoorbeeld: Weet u in welk NUTS of LAU gebied u woont? En identificeert u zich met dit gebied? Deze en vergelijkbare categorisaties geven een schijn van eenvoud: ze zijn afgebakend en dus makkelijk te vergelijken. Maar moeilijkheden met het vergelijken van gebieden komen voort uit het feit dat het niet alleen administratieve gebieden zijn maar ook geografisch en historisch ontwikkeld en ingebed. Deze en andere complexiteiten van de realiteit in een gebied zijn moeilijk in een afgebakende definitie te vatten. Het is dus belangrijk om casussen niet als vast maar als relationeel en ingebed in een bredere set van sociale relaties te zien. In mijn onderzoek kan bijna niemand NUTS/LAU benoemen maar wel de eigen dorpskern, wijk of straat. Dit zijn de gebieden waar het dagelijks leven gebeurt.

Krimpende steden zijn vaak gebieden met een vergelijkbare historische ontwikkeling. Zogenaamde “Industrie-Neustädte” die zijn ontstaan door industrialisatie en nu kampen met krimp. Toch verschillen ze enorm. Bijvoorbeeld, waar in Heerlen de kerk een sterke rol had, waren dat in Wales vakbonden. Deze twee instituten, kerk en vakbond, hebben zeer verschillende uitgangspunten wat betreft het activeren van arbeiders. Waar de kerk het eigen volk liever rustig ziet, willen vakbonden sociale actie inzetten om voor betere omstandigheden van arbeiders te zorgen. Een ander voorbeeld is de rol van de welvaartsstaat, of het ontbreken hiervan. In mijn onderzoek zie ik dat welvaartsstaat regelingen een zeer grote rol spelen in de aanpak van krimp vanuit beleidsmakers maar ook in de ervaring van krimp vanuit burgers.

Ook het taalgebruik is niet eenduidig. Waar in Heerlen krimp een redelijk bekend woord is en veel mensen er iets over kunnen zeggen, is dat in Wales anders. In mijn onderzoek zag ik dat in Wales het dagelijks leven over economische ontwikkeling gaat. Mensen gebruiken het woord krimp niet: werk hebben staat bij hen centraal. Krimp dus, als zodanig, bestaat in het dagelijks leven van inwoners van Blaenau Gwent niet. Dat de definities onmogelijk zijn om te stroomlijnen is reeds langer bekend (Zie ook mijn blog: ‘Krimp definiëren: easier said than done… Misverstand over krimp definitie’).

Maar wat te doen met verschillende definiëringen? We kunnen ze niet automatisch afwijzen als niet nuttig omdat ze anders geïnterpreteerd zouden kunnen zijn. Het is duidelijk dat dezelfde concepten in verschillende omgevingen op verschillende manieren begrepen worden. Dit hoeft, in principe, geen probleem te zijn. Het is juist interessant en relevant om te kijken welke meningen er gegeven worden en hoe deze fenomenen begrepen worden. Specifiek aangeven wat de interpretatie is van een concept in een bepaalde setting geeft inzicht. Invulling van deze term door mensen in de betreffende omgeving geeft hiervoor belangrijke informatie: ervaringen van de bevolking met krimp kunnen beleidsmakers inzicht geven in wat wel en wat niet belangrijk is.

Er zijn dus veel uitdagingen bij het vergelijken van krimpende steden. Verschillen in de casussen kunnen worden veroorzaakt door verschillende factoren die in de praktijk niet te controleren zijn. We kunnen nooit 100% zeker zijn dat we alle factoren hebben gedefinieerd. We kunnen wel verklaringen bieden maar deze zijn nooit allesomvattend. Toch ben ik ervan overtuigd dat vergelijken als een manier om kennis te ontwikkelen nuttig blijft. In mijn onderzoek zie ik ook veel voordelen van vergelijken. Bijvoorbeeld, vergelijkingen zijn een goed middel om tot nieuwe inzichten te komen. In die zin helpt vergelijken ons om onze eigen realiteit niet als vanzelfsprekend te nemen. Verschillende praktijken in verschillende casussen kunnen helpen tot verdieping van begrip van onze eigen casus. Waarom doen we het zo? Hoe kan het anders? Inzichten uit andere casussen kunnen ons helpen, maar we moeten de kennis wel vertalen naar onze eigen context.

Meer lezen:

Ročak, M. (2018) Perspectives of civil society on governance of urban shrinkage: the cases of Heerlen (Netherlands) and Blaenau Gwent (Wales) compared. European Planning Studies. doi.org/10.1080/09654313.2018.1549208

Naar blog overzicht