Het Jaar van de Mijnen: oud en nieuw

1 jun 2015
  • Wonen
  • Werken
  • Mobiliteit
  • Leefbaarheid

Vijftig jaar geleden maakte de toenmalige minister van Economische Zaken Den Uyl bekend dat de mijnen in Limburg gingen sluiten. Als kleine jongen ving ik van mijn familie en kennissen op dat hij zich daarmee in de Limburgse mijnstreek niet populair had gemaakt. Enerzijds begrijpelijk, want het was een enorme klap voor tienduizenden werknemers en hun gezinnen, ook bij de toeleverende bedrijven. In en om de mijnwerkerssteden draaide alles om de mijnbouw: de woningbouw (koloniën), de infrastructuur (treinverbindingen), de scholen, de uitgaansgelegenheden, de sport- en muziekverenigingen (harmonieën). Het was allemaal afgestemd op de behoeftes van de mijnwerkers en hun familieleden. Anderzijds, de mijnsluiting was onontkoombaar door de concurrentie met de goedkope kolen uit het buitenland en het begin van de economisch aantrekkelijkere gaswinning in Groningen.

Over de mijnbouw is al veel gepubliceerd de laatste decennia, niet in het minst door het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg in samenwerking met de Universiteit Maastricht. Door het Jaar van de Mijnen is er weer veel aandacht voor de Limburgse mijnen in de lokale en landelijke media, en zijn er meerdere boeken verschenen en websites gelanceerd. Er is een tweedeling te maken in alle aandacht voor de mijnen. Ten eerste zijn er de uitgebreide beschrijvingen in woord en beeld van het zware werk onder de grond, het kameraadschap van de Koempels, en het sociale leven. Je proeft de nostalgie en de heimwee naar vroeger. De behoefte aan erkenning van het grote belang van het zware werk voor de nationale economie komt vaak naar boven, terwijl men zich tegelijkertijd miskend voelt doordat er na de mijnsluiting te weinig zou zijn gedaan aan vervangende werkgelegenheid, gezondheidszorg en pensioenvoorzieningen voor de ex-mijnwerkers.

Ten tweede is er aandacht voor de betekenis van de mijnen in de nieuwe tijd. Een voorbeeld daarvan is een nieuw boek over de transformatie van DSM van mijnbouwonderneming naar chemisch bedrijf.[1] Bestonden de activiteiten van DSM eerst vooral uit bulkchemie, later werd dat fijnchemie, een business case die in mijn studie economie aan de Universiteit Maastricht uitgebreid aan de orde kwam. Tegenwoordig manifesteert DSM zich als multinational in biotechnologie, en verrijst er op het industrieterrein van DSM een campus. Daar omringt DSM zich met andere high-tech bedrijven, start-ups en onderwijsvoorzieningen van de Universiteit Maastricht en Zuyd Hogeschool. Ze delen laboratoria en faciliteiten, en de kennisuitwisseling wordt bevorderd in fraai ingerichte restauraties en bedrijfsruimtes. Een ander voorbeeld is dat jonge kunstenaars en ontwerpers aan de slag gaan met het mijnverleden, om daar een nieuwe betekenis aan te geven. Ze gebruiken daarbij moderne interpretaties en vormen.[2]

Maar de high-tech banen en de kunstuitingen van de creative class staan soms ver af van de koempels en hun familieleden, van de koloniën en de harmonieën. Toch is er geen andere weg. Het oude moet plaatsmaken voor het nieuwe. De regio moet zijn uiterste best doen om een nieuwe jonge garde van kenniswerkers aan te trekken uit de rest van Nederland, en de wereld. Voor de Brightlands Chemelot Campus, de smart services in Heerlen en omstreken, de universiteiten, het academisch ziekenhuis en de hogeschool. De nieuwe kenniswerkers komen niet per se voor de historie van deze streek, en hoeven niet, zoals de mijnwerkers in de koloniën, in de nabijheid van hun werkgever te wonen. Ze willen hier alleen naar toe verhuizen als er aantrekkelijke woningen en voldoende voorzieningen zijn op het gebied van onderwijs en cultuur, en als er kan worden aangesloten bij de creative class.

Wat betreft wonen moet Zuid-Limburg concurreren met de landelijke streken van vlak over de grens, en met de verder weg gelegen grote agglomeraties met een veel diverser aanbod aan voorzieningen in een internationalere omgeving. Er zijn kennismigranten die pendelen uit Eindhoven en Amsterdam, uit Aken, Luik, Brussel, en van het topmanagement zelfs uit Genève. Voorbeelden te over van kennismigranten die daar hun heil zoeken in plaats van in Maastricht, Heerlen of Geleen. Kortom, de transformatie naar een high-tech economie en werkgelegenheid in de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek is in volle gang, maar wil Zuid-Limburg een high-end locatie worden voor de vestiging van kennismigranten, moet het ook transformeren qua wonen, leven en cultuur.

[1]  J.-P. Jeannet en H. Schreuder (2015), From Coal to Biotech, The Transformation of DSM with Business School Support, Springer, Berlin/Heidelberg.

[2] Bijvoorbeeld bij de muurschildering van Ahalouch in het Glaspaleis in Heerlen (Mind the Black!).

Naar blog overzicht